Rond het midden van de negentiende eeuw was Oost-Vlaanderen hét centrum van de jeneverstokerijen. De hele eeuw door bestond er rivaliteit tussen die stokerijen – waar het stoken meestal een seizoensgebonden nevenactiviteit was – en de zogenaamde industriële stokerijen in de steden, die hun draf verkochten aan boeren in de omliggende gemeenten. Het stak de stedelijke stokers dat die van het platteland door de overheid bevoordeeld werden door een gunstiger accijnsheffing en lagere indirecte belastingen.